Met Trimbach naar de Confrérie, deel 1: Sing
mal eins
Door Johan Veenstra
Nooit eerder heb ik de neiging gehad mij in een jurk
te willen steken. Geen enkel ogenblik heb ik ooit
overwogen mij de
kleding toe te eigenen van een sekse waar ik niet
toe behoor. Hoe liberaal ik in beginsel ook ben, hier
is geen denken aan. Een man is herkenbaar aan zijn
lange broek en daarmee uit.
Op weg naar Kaysersberg is het echter voor het eerst
gaan jeuken. Als alles goed gaat word ik straks ingezworen
als lid van de belangrijkste wijnbroederschap van
de Elzas. Na het succesvol afleggen van een ingewikkelde
test zullen mannen en vrouwen in rode toga’s
mij het blauwe erelint omhangen van de Confrérie
Saint-Etienne d’Alsace, een eerste stap naar
verdere vineuze glorie. En diep in mijn hart hoop
ik dat deze route ooit zal leiden naar een plaats
temidden van de fine fleur van het lokale wijngilde,
zetelend in het Château de Kientzheim, het wachtlokaal
van de vineuze hemel. Maar zover is het nog niet,
eerst wacht mij en de andere genodigden van wijnimporteur
Van der Linden, Walraven & Sax een examen van
extreme zwaarte.
En hier, op de brandend hete binnenplaats van het
Château, krijg ik - heel even maar - alweer
een zonderlinge aandrang. Terwijl de koperen ploert
ongenadig zijn werk doet, loopt het smeltwater langs
de binnenzijden van mijn smoking naar mijn schoenen.
Waarom heb ik toch bezuinigd op de aanschaf van een
onmisbaar attribuut voor wie vooruit wil komen in
een wereld van feesten en rituelen? Waarom niet met
een groots gebaar de portemonnee getrokken voor een
kledingstuk van de allerfijnste scheerwol, koel als
een voorjaarsbries in de Vogezen? Waarom toch bezweken
voor de verlokking van goedkoop polyester? Verlangend
kijk ik naar de dames in flinterdunne galajurken van
de meest hittebestendige stoffen. Principes vragen
offers, maar diep in mijn hart zou ik vandaag wel
willen ruilen.
Maar is het wel de zon alleen die mij zo ongenadig
teistert? Of wreekt zich hier het ongecompliceerd
plezier van gisteravond?
Sing mal eins
Na een met de beste wijnen besproeide picknick onderweg
was ons gezelschap net op tijd in de Elzas neergestreken
in ons hotel om de aftrap te kunnen zien van de wedstrijd
Nederland – Ivoorkust. Uiteraard geheel gehuld
in het oranje. Zwijgend en met de staart tussen de
benen hadden wij ons na afloop wandelend
begeven naar het centrum van Ribeauvillé, waar
wij verwacht werden voor het welkomstdiner. In de
relatieve koelte van het restaurant werden wij welkom
geheten door een goedgeklede veertiger met een blozend
koorknapengezicht die zich voorstelde als Jean Trimbach,
directeur van het befaamde familiedomein.
Verwachtingsvol maar ook nog wat timide namen wij
plaats aan de lange tafel die voor ons gedekt stond.
Het is natuurlijk niet niks om de maaltijd te mogen
delen met Jean Trimbach, naamgenoot en verre erfgenaam
van de oprichter van het wijnhuis uit 1626. Hadden
wij ons wel op de juiste wijze op dit treffen voorbereid?
Ons niet een beetje formeler moeten kleden uit respect
voor onze gastheer?
Veel tijd om hierover na te denken was er niet. Plots
werd het gezelschap opgeschrikt
door twee felle tikken op een wijnglas, gevolgd door
een sonoor en langgerekt geluid vanaf het midden van
de tafel. “Lááááááááááá”
klonk het uit de mond van niemand minder dan Jean
Trimbach zelf. “Lááááááááááá”
- net zolang totdat iedereen de toon had overgenomen
en wij konden beginnen aan het eerste couplet van
een lange serie wijnliederen:
“Sing mal eins, trink mal eins,
trala lala lalala,
Sing mal eins, trink mal eins, trala lala lááááááááááá"
Onnodig te zeggen dat het ijs door deze actie definitief
gebroken was. Wij kwamen hier niet alleen om te eten
en te drinken, maar vooral ook om te zingen! Tussen
riesling en ‘choucroute royal’ schalde
tot diep in de avond de stem van het Nederlandse volk,
onder de bezielende leiding van Jean Trimbach, de
‘Leeuw van Ribeauvillé’.